| |
Gerlachus moet een militaire loopbaan hebben gemaakt.
In de geschriften wordt hij ritmeester genoemd.
Bovendien was hij een ijverig deelnemer aan toernooien.
Tijdens zo'n toernooi kwam de ommekeer in zijn leven, die veroorzaakt werd door
een dramatische ervaring: het overlijden van zijn vrouw Jacoba.
Gerlachus vernam dit bericht toen hij zich in het stadje Gulik (Jülich) bevond.
De strijdlustige ritmeester stond juist gereed om uit te rijden, het schild voor
de borst
en de lans in de aanslag, toen men hem het droevige bericht kwam
brengen.
Het opende zijn verblinde ogen.
Hij zag plotseling in welk een ijdele zaken hij steeds maar weer had nagejaagd.
Op dat moment vond zijn leven een nieuwe oriëntatie.
Van ridder werd hij plotseling boeteling.
Hij besloot nooit meer wapens te dragen, nooit meer een paard te bestijgen en
nooit meer zijn hart op aardse zaken te zetten.
Zijn ijzeren pantser zou hij voortaan als boetekleed dragen.
Gerlachus eerste reisdoel was Rome.
Daar bezocht hij de paus en vertelde hem zijn levensverhaal.
De paus legde hem een nieuwe boete op: reis naar Jeruzalem en ga daar
zeven
jaar in dienst van de armen in het hospitaal werken.
En dat deed Gerlachus: zeven jaar werkte hij in het hospitaal,
waarschijnlijk van de Johannieters, waar zieken, noodlijdenden en pelgrims
werden opgevangen.
Zijn taak bestond uit het hoeden van de varkens.
De ridder was een varkenshoeder geworden.
|

Gerlachus bij de paus |
Na zeven jaar keerde Gerlachus uit Jeruzalem terug.
Gerlachus reisde vanuit Jeruzalem weer naar Rome en bezocht daar paus
Adrianus IV die tussen 1154 en 1159 de Heilige Stoel bezette.
Met goedvinden van de paus besloot hij een leven als kluizenaar te gaan leiden.
Gesteund door een dokument van de paus reisde Gerlachus terug naar zijn
geboortegrond en nam op een stukje familiebezit aan de Geul bij Houthem
zijn
intrek in een zeer oude en omvangrijke holle eik.
Daar leidde hij een streng leven van boete, met weinig slaap en veel vasten.
Van de holle eik in Houthem maakte Gerlachus een klein pastoraal centrum.
Hij beschikte nog steeds over een aantal eigen bezittingen in de omgeving en
van
de opbrengsten daarvan bereidde hij gratis maaltijden voor de armen en de
voorbijtrekkende pelgrims die hij in zijn boom ontving.
Zijn bezoekers onderhield hij over de gebreken in hun levenswijze.

De roem van de kluizenaar van Houthem verspreidde zich razend snel
over een
groot gebied.
Voor de monniken van Meerssen was Gerlachus een bron van ergernis en daarom
klaagden zij hem onder valse beschuldigen aan bij de bisschop van Luik.
Gerlachus zou een geldkist onder zijn boom verborgen houden.
De bisschop van Luik liet daarop de boom in Houthem omhakken.
Toen echter bleek dat de bisschop door de monniken door afgunst was misleid
nam
hij Gerlachus in bescherming en liet van het hout van de eik twee
huisjes
bouwen, waarvan het een als kluis voor Gerlachus kon
dienen en het ander als
kapel.
Ook ontrok de bisschop de kluizenaar, die zelf altijd leek was gebleven,
aan het
geestelijk gezag van de proosdij van Meerssen en stelde hem onder
de geestelijke
leiding van de abdij van Rolduc.
|

Gerlachus bij de
waterput
|
De abt van Rolduc
moest er zorg voor dragen dat in de kapel van Gerlachus
regelmatig door een van
de priesters van Rolduc de mis werd opgedragen.
Bij een van die gelegenheden gebeurde het bekende wonder bij de waterput.
Kort voor de dood van Gerlachus had een priester de mis opgedragen in de
kapel
van de kluizenaar.
Gerlachus vroeg na de mis aan de priester om water te halen uit de
waterput
nabij de kluis.
Toen de priester terugkwam en Gerlachus van het water wilde drinken proefde hij
wijn.
Hij stuurde de priester nog een keer terug, maar ook toen proefde hij wijn.
Tenslotte ging Gerlachus zelf naar de waterput, maar ook deze keer bleek
de
beker wijn in plaats van water te bevatten.
Korte tijd na dit wonder is Gerlachus overleden ( in 1164 of in 1165).
De verering voor Gerlachus moet in de late middeleeuwen en de
zestiende eeuw
afgenomen zijn.
De wonderdadige waterput was zelfs verdwenen.
Er waren stenen ingeworpen en de bron was verstopt geraakt.
Rond 1572 begint echter een nieuwe opbloei van de cultus rond de
kluizenaar en
zijn wonderput.
In 1599 besloot de rentmeester van het klooster samen met een meer
dan honderd
jaar oude knecht, de waterput weer uit te graven.
Toen de bron weer begon te stromen, werd dit gemeld aan de bisschop
van Roermond, die toevallig in Valkenburg was om daar het vormsel toe te dienen.
De bisschop kwam meteen naar Houthem, liet het convent in processie
naar de
waterput trekken en zegende daar het water uit de bron.
De priorin van het klooster, die ernstig ziek was, dronk toen van het
gezegende
bronwater en genas meteen.
infobron: P. Nissen

Gerlachusput (2004)
|
|