Waterputten ... Wat is wat ©
 

Na de komst van de algemene waterleiding (omstreeks 1920/1925) verdween het gebruik van de gegraven waterput.
Enkele decennia geleden werd water geput en waren waterputten en hun ophaal-middel een vast gegeven in het landschap.

In veel plaatsen was de waterput een plaats van ongedwongen veelvuldige samenkomst van buurtbewoners (sociaal contact).

Men haalde er dagelijks water en sprak dan over allerlei activiteiten en praatte over lief en leed in gezin en buurt.
Ook werden dan vaak de gemeentelijke- en verenigingsperikelen besproken.
Vaak vormde zich door het gemeenschappelijk gebruik van een waterput en de bijzondere “economische” toestanden een “put” (buurtvereniging).
De put zelf bleef gelukkig op veel plaatsen bewaard en werd een blijvende herinnering aan het drinkwaterverleden in onze provincie Limburg.

 Het geputte water werd voor talrijke doeleinden gebruikt: om te drinken, eten voor te bereiden, voor de vaat,
als drank voor het vee, voor de schoonmaak, etc.
Buiten deze huishoudelijke doeleinden was en is water ook essentieel in de industrie.
Denk maar aan bierbrouwerijen, leerlooierijen, ijsfabrieken, limonadefabrieken, etc.
Ook op deze plekken zijn vaak waterputten of bronnen terug te vinden.

 

   

 

 

 DRINKWATERPUTTEN IN LIMBURG

 Om in drinkwater te kunnen voorzien werden in vroeger tijden op plekken waar de bevolking in aantallen
toenam een of meerdere openbare waterputten gebouwd.
Het bouwen van een waterput op de hoog gelegen plateaus van het mergelland was geen gemakkelijke aangelegenheid.
Om voldoende water te bereiken moest men vaak tot grote diepte gaan, soms tot meer dan 70 meter.
De wand van meerdere zeer oude waterputten bestond uit gemetseld klein formaat mergelsteen.

Bij putten van jongere tijd, maar voor 1850 gebouwd, is het bovendeel (tussen vaste mergel en het maaiveld)
meestal opgetrokken van veldkeien of vuursteen, al of niet met grote mergelblokken.
Bij waterputten die werden gebouwd na 1850 werd veel baksteen toegepast.
De meeste openbare waterputten kregen pas vrij laat een overkapping (puthuisje).
Het houten puthuisje steunde als regel op een onderbouw van veldbrandsteen.

Het water uit diepe putten was meestal van een prima kwaliteit, omdat dit water door de dikke
grind- en mergellaag goed gezuiverd was.
Het gevaar van vervuiling schuilde op de eerste plaats in de lager gelegen gebieden waar de putten vrij ondiep waren.
Men was over het algemeen genomen nogal nonchalant, als het ging om de hygiëne van drinkwater.
Door het drinken van slecht putwater zijn op diverse plaatsen besmettelijke ziekten voorgekomen.

Toen in de 20e eeuw de loden waterleiding zijn intrede deed raakte veel putten in onbruik en werden de vroeger zo
gewaardeerde waterputten overbodig en ging men ze zien als een obstakel.
Veel openbare waterputten zijn in de loop der tijd helaas verdwenen.
In enkele plaatsen worden ze gelukkig nog aangetroffen en is het zichtbare gedeelte van de put
(putrand en/of puthuisje) meestal gerestaureerd.
 

 

In Limburg werd vroeger op twee manieren een waterput gegraven:

 

HET BOUWEN VAN EEN DRINKWATERPUT IN MERGELGROND

Op de uitgekozen plek werd in een vierkant eerst de bovenlaag (de löss) verwijderd.
Vervolgens het dikke leempakket en de daaronder eventueel gelegen grindlaag.
Door middel van terrasjes kon de grond van onder naar boven worden gewerkt.

Aangekomen bij de vaste mergel werd in de mergel op de gewenste putronding met een stootbeitel
een smal gleufje mergel los gestoten.
De vaste binnenmassa brak men af. Uit de harde mergellagen werden stukken gehakt.
Ook de aanwezige vuursteenlagen waren zeer hinderlijk.
Van deze steensoort werden vaak zeer zware exemplaren naar boven gehaald.
De grootste daarvan kregen de functie van schampstenen bij inrijpoorten van boerderijen.

Twee of meer helpers die boven stonden bedienden de provisorisch aangebrachte
putrol die aan beide zijden een zwengel had.
Via deze rol met een dik koord werd in een vierkante ophaalbak de losgeslagen mergel en
ander gesteente naar boven gehaald.
Met de vrij gekomen harde mergelblokken werd de putwand tussen de
vaste mergel en het maaiveld gemetseld.
De put werd uitgediept tot er voldoende watertoevoer uit de putwand sijpelde.
Het moeizame werk werd op diepte onder het schamel licht van een stallantaarn verricht

  

HET BOUWEN VAN EEN DRINKWATERPUT IN LEEM- EN GRINDLAAG

 Men maakte van zware eikenhouten planken een raamwerk (maat binnenwerk 1x1 meter).
Vervolgens groef men een vierkant gat van 2 meter diep en legde het raamwerk plat op de bodem.
Op dit raamwerk begon men de putwand te metselen van mergel of baksteen.
Dat metselen deed men tot ca 1 meter boven het maaiveld.
Daarna liet men dit metselwerk drogen.

Na verharding ging een man terug in de put om de grond onder het raamwerk met zorg en met uiterste regelmaat weg te graven.
Met behulp van balken en steunpaaltjes liet men de eerste aanzet van het metselwerk geleidelijk zakken,
totdat de bovenzijde van de putwand gelijk lag met het maaiveld.
Was dit zover, dan stopte men met graven, metselde weer een stukje putwand, liet dit weer aandrogen om
vervolgens weer de grond onder het raamwerk weg te graven.

Het raamwerk moest tegen verrotting diep genoeg en permanent onder water komen te liggen.
De werkzaamheden werden net zolang herhaald tot men op diepte voldoende toevoer van helder drinkwater kreeg.
Met een grindbed filter op de putbodem en eventuele gaten in de putwand ten behoeve van de
watervoerende laag, was men dan verzekerd van constant voldoende putwater.

bron: H.W.A. Lemmerling †

 

 

 

WAT IS WAT ???

 

 

Aker

  Zie emmer.
 
 

Artesische put

  Watervoerende lagen die voorkomen tussen twee slecht doorlatende grondlagen staan onder grote druk. Indien tot deze lagen een put wordt gegraven en het water stijgt tot boven het maaiveld, dan spreekt men van een artesische put met artesisch water. Het verschil met een gewone put is dus dat het grondwater van een artesische put uit zichzelf naar boven komt.
 
 

Boomstamput

  Oud type waterput die tot 1250 in gebruik was.
Een uitgeholde boomstam (meestal eik) werd enkle meters in de grond gegraven.
 
 

Borstwering

 

Vorm van bovenbouw aangebracht voor veiligheid.
 

 

Bovenbouw

  Gedeelte van waterput dat boven de grond zichtbaar is.
De putrand en de putmond zijn er een onderdeel van.
De bovenbouw dient o.a. voor de veiligheid, zodat men niet in de put kan vallen en om te vermijden dat oppervlaktewater het putwater kan vervuilen. Bovenbouw kan in verschillende materialen opgetrokken zijn en kan rond, vierkantig, … zijn.

 
 

Emmer

  Putemmer-aker-borrevat (houten wateremmer)-putketel.
 
 
Emmerdreg   Drie – of vierarmig werpanker aan lang touw waarmee een in de waterput gevallen emmer kan worden opgehaald.

 
 
Freatisch grondwater   Het eerste grondwater dat men tegenkomt als men een gat in de grond graaft. Waterputten worden hiermee gevoed.
 
 
Gemetselde put   Type waterput van gemetselde bakstenen (stenen taps toelopend bij een ronde putschacht).
Deze putwand kan een hoge gronddruk weerstaan.
Deze vorm is geschikt voor de aanleg van waterputten met een behoorlijke diepte.
 
 
Katrol   Houten schijf waar over het puttouw of de putketting loopt. Aan het ene uiteinde hangt de emmer en het andere part wordt ingehaald of gevierd. Soms wordt aan het ander uiteinde ook een emmer gehangen, die dan als tegengewicht werkt.

 
 
Maaiveld   Aanduiding voor de hoogte van het grondoppervlak. Het niveau waarop we lopen.
 
 
Ophaalwijze   De manier om water uit een put op te halen. De meest gebruikte manieren zijn de katrol, het windas, de putwip en de pomp.
 
 
Pal en palrad   De pal valt tussen de tanden van het tandrad (palrad) en belet het terugdraaien van de trommel. Komt weinig voor.
 
 
Plaggenput   Type waterput die vanaf 1250 tot in de Middeleeuwen werd gebruikt.
Een hout wagenwiel (zonder spaken) werd in de grond gegraven en op het wiel werden
heideplaggen gestapeld. Men kon zo een grotere diepte bereiken dan met een boomstamput
of een tonput en de de putschacht had een grotere diameter.
 
 
Pomp   Geplaatst boven een waterput om water uit de put op te halen. Een zuigpomp wordt gevormd door een cilinder waarin een mechanisch aangedreven zuiger op en neer wordt bewogen om zo water te verplaatsen.
 
 
Pomparm   Hefboom om de zuiger in de pomp op en neer te bewegen.

 
 
Put   Zie waterput.
 
 
Putafdekking   Constructie waarmee een waterput wordt afgedekt. Vormen zijn een putdeksel, een bolvormig gewelfje met in de kruin de putmond, een ijzeren rooster, enz.
 
 
Putdiameter   Binnenmaat van de putschacht. De diameter kan verschillend zijn ter hoogte van putbodem, maaiveld en putmond.
 
 
Putdiepte   Diepte gemeten van het maaiveld tot de putbodem.
 
 
Puthaak   Onderdeel van verschillende ophaalwijzen. Hieraan wordt de emmer bevestigd. Vormen zijn: veerhaak (met sluitende veer om het hengsel van de emmer), varkensstaart (bij putwip), een karabijnhaak, enz.
 
 
Puthuisje   Gesloten of halfgesloten dakgestel boven de waterput.
 
 
Putkevie   Gedecoreerd smeedijzeren hek (of vlechtwerk) boven een putopening ter versiering.

 
 
Putmast   Een naast de waterput geplaatste paal van hout, metaal of beton (ook putmik genoemd) waar bovenop een soort vork is bevestigd. In gebruik bij een putwip.
 
 
Putmond   Opening van waterput waarrond de putrand is opgetrokken.
De putmond kan rond of vierkant zijn.
 
 
Putrol   Zie trommel en windas.
 
 
Putstenen   Bakstenen die taps toelopen, terwijl de breedste kop, soms ook de smalste kop, over de breedte licht gebogen is. Dankzij deze lichte ronding kan men de putwand cirkelvormig en in gesloten rij metselen.

 
 
Putstok   Onderdeel van een putwip. Een lange houten stok (soms touw of ketting). De putstok is verbonden aan de putzwengel d.m.v. een ring of wartel. Aan de ring zit een ketting van enkele schakels. De ketting is  d.m.v. een ring en pen vastgehecht aan de putstok. Aan het andere uiteinde van de stok is een puthaak (varkensstaart) bevestigd, waaraan de emmer hangt.
 
 
Puttouw   Touw waaraan een emmer hangt om water te putten.
 
 
Putwater Al dan niet grondwater opgehaald uit een waterput. Het water kan verschillende doelen hebben: wassen, koken, drinken, … Het putwater kan getest worden op drinkbaarheid.

 

Putwiel   Onderdeel van de windas. Meestal een ijzeren wiel waarmee de putrol (of trommel) in beweging wordt gezet om de emmer op- en neer te laten gaan in de putschacht.
 
 
Putwip   (Putgeerd). Een ophaalwijze om water te putten met gebruik van het principe van een hefboom. Opgebouwd uit vier hoofdbestanddelen: putmast, vork, zwengel en putstok.

 
 
Putzwengel   Het hefboomgedeelte dat een op- en neergaande beweging kan uitvoeren. In de zwengel wordt een inkeping aangebracht waar deze op de vork steunt. Aan een zijde van de zwengel is een tegengewicht aanwezig en aan het andere uiteinde hangt de putstok en de emmer die de waterput ingaan.
 
 
Schacht   De opening van de waterput begrensd door de putwand en reikende van putbodem tot putmond. Het verlengde van de putschacht boven het maaiveld maakt deel uit van de bovenbouw.
 
 
Slinger   Onderdeel van de windas. Met de ijzeren slinger wordt de putrol (of trommel) in beweging gebracht. De slinger steek in de zijkant van putrol en de vorm van het ijzer is meestal vierkant of heeft kerven in het ijzer om niet dol te draaien. Het andere uiteinde van de slinger is gebogen of geknikt. Vaak wordt i.p.v. een slinger ook een putwiel gebruikt.
 
 
Stokemmer   De emmer is bevestigd aan een lange houten steel. Met de stokemmer wordt water uit een waterput of een sloot opgehaald.

 
 
Tonput   Een type waterput gebruikt in de Middeleeuwen.
Een grote houten ton werd in de grond gegraven.
 
 
Trommel   Onderdeel van de windas waar het touw of de ketting rond opgewonden wordt en die vaak d.m.v. een slinger gedraaid wordt. Indien gebruik wordt gemaakt van een putwiel (voorzien van kamraderen) is tegen de trommel een tandwiel aangebracht.

 
 
Vork   (Gaffel). Onderdeel van een putwip. Boven op de putmast is een vork in de vorm van twee houten of metalen benen aangebracht. Op de vork rust de putzwengel.
 
 
Wartel   Draaibare schalm of haak in of op het eind van een ketting die torsie vermijdt. Vaak in gebruik bij een putstok van een putwip.

 
 
Waterpeil   Hoogte van het water in een waterput en gemeten van de putbodem tot de oppervlakte van het water.
 
 
Waterput   De waterput is een put die men graaft of boort om grondwater te verzamelen. De put reikt tot het freatische grondwater. Een waterput bestaat uit een ondergronds (schacht) en een bovengronds gedeelte (bovenbouw) en een ophaalmiddel. De vorm van de schacht kan rond, ovaal, vierkant of rechthoekig zijn. De breedte en de diepte van waterputten kunnen variëren.

 
 

Watervoerende laag

 

  Geologische laag die voldoende poreus en doorlatend is voor een belangrijke grondwaterstroming of voor onttrekking van een aanzienlijke hoeveelheid grondwater.
 
 
Welput   Type waterput die reikt tot in de grondwaterspiegel.
De put is opgebouwd uit in een cirkel gestapelde kleine bakstenen.
De stenen fungeren als een filter waar het grondwater tussendoor de putschacht in stroomt.
 
 
Windas   Algemene term voor een werktuig om een last verticaal (soms horizontaal) te verplaatsen. De trommel (of putrol) draait d.m.v. een slinger of putwiel om zijn as om een touw of ketting op te winden en de wateremmer op en neer te laten gaan in de putschacht.
 
 
Zinkput   Gemetselde waterput die men door ontgraving doet zinken, telkens nadat een gedeelte is opgemetseld.
 
 
Zinkring   Ring of kader in hout, ijzer of beton gebruikt om onder de fundering van een waterput te leggen. Soms werd hier een karrenwiel voor gebruikt. Een waterput die op deze wijze is gemaakt, wordt een zinkput genoemd.
 
 
Zwengel   Zie slinger, putwiel, putzwengel of pomparm.